Richard Ashcroft is schreeuwlelijk, heeft een ego dat vrijwel even hoog is als de Petronas Towers en bestookt ons nu met een middelmatige plaat. Eigenlijk zou dit volstaan als commentaar, maar een soort verantwoordingsdrang gebiedt me om toch iets meer uitleg te geven.
Ashcroft verwierf over het Kanaal zo'n tien jaar geleden een muzikale status die nog nauwelijks te overtreffen valt. Dat was vooral te wijten aan de ontdekking van Oasis en uiteraard ook Bittersweet symphony en The drugs don't work, twee singles uit Urban hymns waarmee The Verve zowat de hele muzikale goegemeente met verstomming sloeg. Ondertussen heeft Ashcroft de groep al een tijd de rug toegekeerd en gaat hij op eigen houtje verder. Keys to the world is al zijn derde soloplaat.
Solo leek het echter niet zo goed te lukken. Hij had wel een paar radiohitjes – zoals C'mon people (we're making it now) uit Alone with everybody (2000) - maar al bij al nam dit toch, zeker naar The Verve-normen, maar bescheiden proporties aan. Met zijn nieuwste album lijkt het tij echter te keren. Keys to the world wordt zwaar gepromoot en krijgt op enkele uitzonderingen niet te na gesproken in de Nederlandstalige pers zeer lovende kritieken. Zij dwalen.
Er valt immers een pak meer te zeggen voor de beoordeling van onze kritische Britse internetcollega's van Pitchfork, die de plaat de dieperik inboorden en een zelden geziene quotering – 2/1O !! - meegaven. Onze katholieke opvoeding stemt ons echter altijd een ietsiepietsie milder, hoewel.
Ashcroft vervalt op Keys to the world vaak in de fouten die hij ook in het verleden al maakte. Bij elk nummer bekruipt je weer een dubbel gevoel. Goeie melodieën worden soms eindeloos uitgemolken, nummers worden de das omgedaan door een simplistisch refrein of pakkende passages krijgen door een al te stroperig sausje een wat bittere nasmaak (bittersweet, goeie woordspeling!!). Ashcroft heeft het wel, maar alleen komt het er niet veel uit. In elk geval past de puzzel nooit goed in elkaar. Op het eerste gehoor lijken de songs een boterkoek op wielen – zoals onze, overigens ook schreeuwlelijke, leraar chemie telkens zei wanneer hij een proef uitvoerde zonder het klaslokaal in lichterlaaie te zetten – maar wie teveel boterkoeken eet, krijgt last van teveel cholesterol en ziet zijn Body Mass Index stijgen en moet dan weer een hogere premie betalen voor zijn schuldsaldoverzekering. Soit, we dwalen af. Laten we zeggen dat je je bij een iets grondigere analyse al gauw begint te ergeren aan tal van elementen. Prototype van een verneukte song is Why do lovers?, een potentiële moordsong die vakkundig de nek wordt omgewrongen door een lullig, wat zielig refrein.
De plaat begint overigens met een misser van formaat. Ashcroft vergaloppeert zich al meteen in de rocker Why not nothing? In interviews geeft hij toe niet de man te zijn van rudimentaire rocksongs en wie zijn wij om hem tegen te spreken? Toevlucht zoeken tot de skiptoets dus. Music is power stemt ons echter niet veel positiever. De wat gratuite ode aan de muziek drijft op een typische Verve-sound, maar weekt behalve een paar geeuwen maar weinig los. Dat is op het eerste gezicht anders met de single Break the night with colour. Leuke melodie, maar wie de song goed onder de loep neemt, stelt vast dat het skelet van de song serieus aan osteoporose lijdt.
Het kan echter nog veel erger. Words just get in the way is een flauwe synthese van Bob Dylan en Tom Petty. Amerikaanse rootsrock met een flinke scheut Britse pretentie en pathetiek. “When you've given all you've got / and you're feeling overcome / when you're back's against the wall / there's no one left to call / call me”, luidt het bescheiden. En ja hoor, het kan nog erger. De laatste twee nummers klinken ronduit potsierlijk en kitcherig. Simple song is allesbehalve wat de titel laat uitschijnen en World keeps turning klinkt als een Bob Dylan op 74 toeren die met de fanfare op kop het jachtpad kiest. Hopelijk verdwalen ze in het bos.
Welgeteld drie goede nummers staan op de plaat. Het Charlatans-achtige titelnummer heeft de nodige spankracht om van begin tot einde te boeien, het tedere Sweet brother Malcolm bewijst dat Ashcroft op zijn sterkst is wanneer hij breekbare ballads schrijft en Cry til the morning bevestigt dat alleen maar.
Drie goeie nummers op tien en nog een paar half geslaagde pogingen. In onderwijstaal spreken we dan van een dikke buis. Streng maar rechtvaardig.
