Die verdomd moeilijke tweede plaat. Het is de nachtmerrie van elke artiest of groep. Vooral wanneer het debuut door de hele goegemeente de hemel werd ingeprezen. Met het New Yorkse Clap Your Hands Say Yeah ging de (internet)hype zelfs nog een stuk verder. Nog voor er ook maar sprake was van een eerste release nam de status van het kwartet al bovenmaatse proporties aan. Maar net zoals al te euforische beurskoersen vroeg of laat worden gecorrigeerd, haakten ook na het officiële debuut van CYHSY al een reeks adepten van het eerste uur af. Om maar te zeggen dat de druk voor de opvolger nog een stuk groter was.
Alec Ounsworth is echter niet de man om ten onder te gaan aan de druk vanuit de buitenwereld. Hij lag naar verluidt al niet wakker van de wereldroem die hem plots te beurt viel, laat staan dat hij zich zou laten beïnvloeden in de muzikale koers die hij vaart. Eigenzinnigheid en grilligheid zijn het handelsmerk van Ounsworth. Dat valt al meteen op bij de opener en titelnummer op Some loud thunder. De eerste keer dat je het nummer hoort, denk je dat er iets scheelt aan je MP3- of cd-speler, maar het is gewoon een laag ruis die Ounsworth in de song stak. Alsof hij de luisteraar meteen wil duidelijk maken dat je maar best meteen opkrast indien je echt geen moeite wil doen. Pedant of moedig? De lijn tussen de twee is in elk geval flinterdun.
Ounsworth doet evenmin veel moeite om zijn stem bij te schaven. Of kan de man niet veel meer dan mekkeren als een schaap met een dierenvriend in zijn kont? In elk geval neuzelt hij op deze plaat nog erger dan Jo “met de tremelo” Vandeurzen met een snotvalling om u tegen te zeggen.
Ook muzikaal rommelt het dat het een lieve lust is en gaan de nummers soms alle richtingen uit. Dat levert soms wonderwel samenhangende nummers op, zoals Emily Jean Stock, maar mondt evenveel uit in oeverloos muzikaal gewouwel (Arm and hammer). In tegenstelling tot het titelloze debuut heeft Ounsworth op deze plaat ook de vervelende gewoonte om leuke vondsten of lekkere passages eindeloos uit te melken dat ze na verloop van tijd danig op de zenuwen beginnen te werken. Dat is bijvoorbeeld het geval met het met Thom Yorke en Talking Heads verwante Yankee go home of met Underwater (you and me), een nummer met een ontstekingsmechanisme dat maar niet wil afgaan. Het kan echter nog een pak erger. De plaat bevat immers nummers die compleet overbodig zijn, zoals het intermezzo Upon encountering the crippled elephant (het beestje heeft uit frustratie de song zo toegetakeld dat er niets meer van overblijft) of het door slaapziekte aangetaste Goodbye to mother and the cove. Het lijkt wel alsof Ounsworth meer tijd stak in het verzinnen van songtitels dan in het schrijven van de nummers zelf.
En toch blijft uw nederige dienaar ervan overtuigd dat CYHSY een wereldplaat in zich heeft. Ounsworth heeft dat geschifte dat grenst aan genialiteit en dat komt in sommige songs ook aan de oppervlakte, zoals in het briljante Satan said dance, dat het midden houdt tussen Grandaddy en Evil Superstars, maar vooral een eigen manisch, gestoord leven leidt én mateloos beklijft. Of zoals in Mama, won't you keep them castles in the air and burning?, een etherisch, mystiek nummer dat zich ontpopt tot een poppy, opzwepend riedeltje.
Niet alles is dus kommer en kwel op Some loud thunder. Maar laten we vooral uitkijken naar de derde plaat van CYHSY en download ondertussen alleen nummer 3, 4 en 5. Zo hoef je geen nutteloze kosten te doen en verhoogt je bruto nationaal geluk. Clap your hands and say yeah!
