Wanneer de Britse muziekpers alweer de nieuwste hype ontdekt, bekruipt ons meteen dat typisch Belgische gevoel van achterdocht. Met het titelloze debuut van Kasabian was dat niet anders. Het kwartet uit Leicester zou de Manchester-scène van begin de jaren '90 uit zijn as doen herrijzen en het testament inluiden van de alomtegenwoordige Amerikaanse garagerock. De conclusie is wat overtrokken, maar in het belang van het verhaal mag je al eens wat overdrijven. Vast staat in elk geval dat Kasabian boven de middelmaat uitsteekt en niet het zoveelste doorslagje is van een bekend en volprezen recept.
Toegegeven: ook Kasabian ging snuisteren in de recente rock- en popgeschiedenis. Maar in plaats van zich te bezondigen aan fletse en ongeïnspireerde kopieerzucht brengen frontman Sergio Pizzorno en zijn discipelen een intelligente en eigentijdse mix van de 30 voorbije rockjaren. Neen, een synoptische tabel die de verschillende invloeden vergelijkt, geven we niet. En we zullen het ook niet hebben over de zoveel missing link tussen twee groepen of muziekstijlen. Missing links zijn eerder iets voor paleonthologen die op zoek zijn naar het verband tussen de australopithecus africanus en de homo erectus of voor Antwerpse politici die al jaren de Antwerpse ring willen sluiten. We kunnen wel zeggen dat Kasabian Britse rock koppelt aan hippe breakbeats en het geheel lardeert met vettige riffs en moderne techno- en ambientklanken. En inderdaad, The Happy Mondays, The Stone Roses en vooral The Charlatans komen regelmatig een kijkje nemen.
Ook al klinkt Kasabian catchy en fris en zetten de nummers je aan het dansen, zijn Sergio Pizzorno, Christopher Karloff, Tom Meighan en een alternerende, vierde man allesbehalve een stelletje vrolijke rakkers. Niet gespeend van enige attitude à la de Gallagher-broertjes zingt Kasabian – de naam verwijst naar een personnage uit de inner circle van serial killer Charles Manson – over verlies, dood en vooral verslaving (“Coco believe me/I'm a lonesome man/I wanna get stoned and trip some wires/I wanna get myself underground/I said that, you must believe me/When I say I'm fighting the dead/Lyin low across the evening/Can you see the lumps on my head?/But I got these voices that just keep singing out/Sayin…/I just can't stop losing control”, klinkt het in Butcher blues ). Behalve een goede portie dope komt hier wellicht ook een serieuze dosis pose bij kijken.
Maar kom, dat kan de pret niet drukken. De plaat komt als een diesel op gang – Club foot en de single Processed beats zijn niet meteen de beste songs – maar eenmaal op gang, grijpt ze je bij de keel en banen de nummers zich autostradegewijs een weg naar je buis van Eustachius. Dat is bijvoorbeeld het geval met het bezwerende en uiterst ritmische Reason is treason , dat op het eind van de plaat in een andere gedaante nog eens opduikt als hidden track. I.D. komt met veel beats en bliepjes op gang en ontbolstert zich gaandeweg tot een atmosferisch en sfeervol nummer, zonder bombastisch te worden. Net zoals in sommige andere songs hoor je hier duidelijk de invloed van bijvoorbeeld Craig Armstrong, die ook grossiert in majestueuze geluidslandschappen. Ander zeer aanstekelijk en poppy nummer is L.S.F. , dat met geluidsnufjes eigen aan The Flaming Lips een extra dimensie krijgt. Meer referenties: Running battle klinkt als Air versus The Charlatans. In andere tracks loop je af en toe ook nog Primal Scream of Black Rebel Motorcycle Club tegen het lijf.
Superorigineel kan Kasabian dan ook niet genoemd worden. Maar het kwartet slaagt er wel meer dan andere groepen in om op en top Brits te klinken en tegelijkertijd ook een andere sound te creëren. Kasabian serveert ons een eigentijdse coctail met nog niet belegen én kakelverse ingrediënten. Indien de bandleden zich niet te pletter spuiten of elkaar te lijf gaan – zoals wijlen The Libertines dat helaas deden – horen we zeker nog van deze Leicesterboys. Wedden?
