Dat de Britten om de zoveel weken een nieuwe muzikale sensatie nodig hebben en die ook steeds weer weten te vinden, maakt ons altijd weer wat achterdochtig. Terecht, want meer dan eens blijkt dat de zogenaamde sensatie evenveel inhoud heeft als gebakken lucht en vrijwel meteen als een zeepbel uiteen spat. En toch kun je niet naast de vaststelling dat de Britse persgilde een aantal scherpzinnige muzikale geesten telt die het regelmatig bij het rechte eind hebben wanneer ze nog maar eens een nieuwe groep de hemel inprijzen. Denk maar aan Bloc Party, Franz Ferdinand, Maxïmo Park of Kasabian. Het loont dus zeker de moeite om de bluts met de buil nemen en toch altijd weer de moeite te doen alle gloednieuwe namen te checken. The proof of the pudding is in the eating, zeggen diezelfde Britten vakkundig.
Razorlight was in 2004 één van die sensaties. Met debuutplaat Up all night stootte het Brits-Zweedse kwartet – gitarist Bjorn Agren is een Zweed – al meteen door tot de hoogste regionen. Critici raakten het maar niet eens over de kwaliteiten van de groep en vielen uiteen in believers en non-believers (waar hebben we dat nog gehoord?). En niet gespeend van enige marketingkennis hield frontman Johnny Borrell de aandacht vast door af en toe een grote muil op te zetten en de controverse op te zoeken. Zo voert hij al een tijdje een woordenoorlog uit met de concurrenten van The Kooks. De man was niet voor niets ooit lid van The Libertines.
Maar goed, laten we meteen maar erkennen dat we ondanks het hanen- en blaaskakengedrag van Borrell wel degelijk believer zijn van Razorlight. Daarvoor zijn we teveel verknocht aan pop, melodie en ritme, drie dingen die deze heren perfect weten te combineren. Toegegeven, Razorlight heeft het lauw water niet uitgevonden en kijkt graag over het muurtje, maar weet toch telkens weer de gestolen elementen om te smeden tot een meer dan geslaagd geheel. Wie bijvoorbeeld America hoort, denkt meteen het nummer te kennen, maar dat komt enkel omdat de song perfect in elkaar zit en meteen in je cerebrale MP3-speler wordt gestockeerd. Dat Borrells stem een mix is van die van Neil en Tim Finn en Joost Zweegers, maakt het effect alleen maar groter. Typerender is Who needs love, een nummer dat eigenlijk nauwelijks iets om het lijf heeft, drie minuten op slechts één pianotoon drijft en een banale tekst meekreeg. En toch weet het te bekoren. Schuldig genot heet zoiets.
De opener In the morning kent wellicht iedereen al als single. Het is één van de sterkhouders van de plaat, maar door een zinsnede uit de tekst heeft het voor mij nog dat tikkeltje extra. “But then last night was so much fun/ And now your sheets are dirty”, doet me steevast denken aan die hilarische scène uit één van mijn favoriete films, Trainspotting, waarin de complete nerd Spud na een nachtelijk avontuurtje 's morgens wakker wordt in een ondergescheten bed. Tot zover dit scatologisch interludium.
Andere puike poprocksongs zijn het zwierige, naar The Shins knipogende Before I fall to pieces, het spannend opgebouwde I can't stop this feeling I've got en het stevigere Pop Song 2006, een eresaluut aan Borrells idolen R.E.M. (verwijzing naar Pop Song 1989 uit Green). De laatste nummers verwijzen net iets teveel naar collega's zoals Crowded House (Kirby's house) of The Style Council (Back to the start), maar misstaan dan weer niet op het album.
Neen, een prijs voor originaliteit zullen deze vier heren wellicht nooit krijgen. En de kans is groot dat Razorlight niet meer dan een betekenisloze voetnoot wordt in de Britse muziekgeschiedenis. Maar laaf je toch maar voor één keer aan het soms gelukzalige hier en nu. De rest zijn zorgen voor later. Doén!
