Hoe moet je deze CD beoordelen? Kijk je best enkel naar de muzikale merites of moeten we dit vooral als een politiek pamflet zien? Het is een vraag waarmee ik al een tijdje worstel. Dit is overduidelijk een politiek statement, maar met een muzikaal icoon als Neil Young kun je moeilijk rond de muziek heen fietsen. Maar wat is hoofd- en wat is bijzaak?
Dat Young ons aller baby Bush met een welgemeende fuck you naar huis wil sturen, verrast eigenlijk een beetje. Hij schreef in het verleden wel enkele politieke songs (Ohio) en liet verschillende keren zijn maatschappelijk engagement merken (op platen zoals Freedom of Sleeps with angels), maar totnogtoe koos de ingeweken Canadees eigenlijk nooit echt kamp. Eind de jaren '80 – toen Rockin' in the free world de wereld veroverde – claimden zowel de Republikeinen als de Democraten Youngs halfslachtige boodschap op. De ene keer leek hij rechtsaf te slaan, dan weer liet hij rechts links liggen. Nu is duidelijk dat Bush en co niet zin moaten zijn
Vraag is wel of het statement niet wat laat komt. George W. Bush is ondertussen al herverkozen geraakt en kan geen derde ambtstermijn meer ambiëren. Bovendien ligt de VS-president al een tijdje uitgeteld tegen het canvas. Zijn populariteit staat op een ongekend dieptepunt na het fiasco in Irak, het falikante begrotingsbeleid, de slechte sociaal-economische prestaties en een reeks schandalen. Youngs plaat lijkt in die situatie wel op natrappen naar een speler die al gewond op de grond ligt. En hebben we al niet genoeg Amerikaanse artiesten gehad die hun landgenoten een politiek geweten willen trappen (het acteursechtpaar Tim Robins en Susan Sarandon, George Clooney, R.E.M, Pearl Jam, Bruce Springsteen, Bonnie Raitt, Mary J. Blige, Jackson Browne, John Cusack, Martin Sheen, Sean Penn, Jessica Lang, Kim Basinger, Helen Hunt, Matt Damon, en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan)? Wie nu nog geen positie heeft ingenomen, is zo halfslachtig als een hermafrodiet. Deze plaat zal daar wellicht nog weinig verandering inbrengen.
En toch blijkt Young met zijn ongezouten boodschap in de VS een gevoelige snaar te hebben geraakt. Terwijl de Amerikanen hem omwille van zijn imposant oeuvre als one of us beschouwen, wordt hij door Bush-adepten plots weer als een Canadees gezien die zich ongevraagd met interne zaken komt bemoeien. Anyway. Te laat of niet, efficiënt of niet, een bekering is een bekering en bij een verloren gelopen schaap dat zijn stal heeft teruggevonden hoort applaus. Bij deze: een staande ovatie.
Goed, de muziek nu. Young verkent op deze atypische plaat helemaal geen nieuwe horizonten. Hij gaat wel graven in zijn vroeger werk en haalt een aantal stijlen naar boven die we al een tijdje niet meer gehoord hebben, zoals de sound van Rust never sleeps (1979) of Weld (1991).
Het album begint zeer rommelig. Hier hoor je dat alles snel in elkaar is gestoken. After the garden en het titelnummer geven je ook totaal niet het gevoel dat we te maken hebben met een protestplaat. Integendeel. Living with war klinkt als een zomerse avond op een strand in Hawaii met op de achtergrond een roedel halfnaakte Alohameisjes die heupwiegend en met een coctail in de hand – wellicht een Bloody Mary – “ I raise my hand in peace/ I never bow to the laws of the thought police/ I take a holy vow/ To never kill again” meeneuriën. Qua ongeloofwaardigheid kan dat wel tellen.
Pas vanaf het derde nummer krijgen we een Neil Young te horen die met de linkervuist en de rechtermiddelvinger omhoog zijn ding doet. In The restless consumer wordt de boosheid tegenover het beleid van Bush muzikaal perfect vertaald en komt de boodschap door een pamflettaire en sterk ritmische aanpak klaar en duidelijk over. “Don't need no more lies”, scandeert Neil onophoudelijk, in de rug aangemoedigd door een gospelkoor. Ook van Shock and awe – hoe kan het ook anders - gaat dreiging uit. De gitaren slaan gensters, de woede over de oorlog in Irak wordt uitgeschreeuwd. “Thousands of bodies in the ground / Brought home in boxes to a trumpet's sound”, luidt het, meteen gevolgd door een soort Last Post. Knap. In Flags of freedom schept Young een wat cynisch beeld van jonge, vaderlandslievende soldaten die met veel bombarie, vlaggengewapper en vooral bakken patriottisme het oorlogsveld worden ingestuurd. De song zelf doet ons sterk denken aan Days that used to be uit Ragged Glory. Muzikaal gezien gaat het in Let's impeach the president een stuk bergaf. Met een stevige drum op de voorgrond en een monotone elektrische riff lanceren Young en zijn kompanen een in vitriool gedrenkt pleidooi om Bush af te zetten. Leuk is dat de godfather of grunge geluidsfragmenten van Bush zelf met bekende citaten zoals “we'll smoke em out” of “war is our last choice” plaatst tegenover zijn eigen opvattingen over de president, en die zijn niet zo fraai: “Let's impeach the president for lying/ and misleading our country into war/ abusing all the power that we gave him/ and shipping all our money out the door”. En ook nu weer horen we fragmenten van andere songs, deze keer Someday van Freedom . In afwachting van Bush zijn onttroning gaat Young al op zoek naar een opvolger, iemand die de Augiasstal kan uitmesten en het land weer op het rechte pad brengt.”Yeah maybe it's Obama/ but he thinks that he's too young/ maybe it's Colin Powell/ to right what he's done wrong”, klinkt het in Lookin' for a leader . De hoop wordt uitgesproken dat er eindelijk eens een vrouw of een zwarte het land gaat leiden. Het nummer zelf klinkt melodieus-euforisch, met een gospelkoor als vertolker van de hoop. Die hoop wordt al snel de kop in gedrukt in Roger and out , een melancholische song waarin Young mijmert over een goede vriend die sneuvelde op het field of honor. America the beautiful sluit de plaat af, een gospelsong pur sang die lijkt te verwijzen naar het God bless America, de woorden waarmee Bush – en overigens ook een reeks voorgangers – steevast zijn speeches afsluit. Het is in elk geval een lofzang op een prachtig land, dat helaas geregeerd wordt door verfoeilijke leiders. Of geldt dan toch het adagium dat een land de leiders heeft die het verdient?
Hoedanook is Young erin geslaagd – ongeacht de vraag of zijn statement al dan niet te laat komt – om Bush met zijn eigen wapens te verslaan. Om zijn boodschap kracht bij te zetten, gaat de Canadees net zoals Michael More soms kort door de bocht, gebruikt hij sloganeske en pamflettaire taal en laat hij het niet na tal van andere stijlmiddeltjes te hanteren. En ook al zijn de nummers zeker niet groots te noemen, zorgt de combinatie met Youngs grommende gitaren ervoor dat Bush een serieuze kick in the ass krijgt. Moge het nog een hele tijd serieus pijn doen.
